content mammoetpadverhaal

Is hier iemand om mee te spelen?
Er zijn heel veel dieren op de wereld. De zee zit vol met grote en kleine vissen. In het oerwoud leven apen, felgekleurde vogels, slangen en ontelbaar veel insecten. In Siberië bibberen de herten van de kou en huilen de wolven mee in het bos. De pinguïn s trappelen over het ijs van de zuidpool.
Een pinguïn heeft het in de jungle veel te warm. Een aap bevriest op de noordpool.
Zoals jij in de winter een jas aantrekt, hebben dieren ook allemaal trucjes om zich aan te passen. Soms lukt dat niet. Dan sterft het dier uit.
Dino’s bijvoorbeeld. Die leefden vroeger, lang voordat de mensen leefden.

Koning Quagga
De kleine Koning Quagga draaft over de velden, hij springt over sloten, rent door de struiken en verstopt zich voor de leeuwen. Dat gaat hem makkelijk af. Want als hij tussen de takken staat zien de leeuwen hem niet.
Als de leeuwen voorbij trekken gaat hij weer verder met spelen. Later komt hij bij een meer om wat te drinken. Hij ziet zichzelf in de spiegeling van het water. ‘Wat ben ik eigenlijk mooi’, zegt hij hardop. ‘Ik heb de strepen van een zebra en de schoonheid van een paard. Ze noemen me Quagga omdat ik altijd ‘quagga’ zeg. En ik ben Koning Quagga, de mooiste van Afrika’.
Op een morgen, Koning Quagga was net klaar met zijn zijn ontbijt van blaadjes, kwamen er vreemde dieren langs. Ze hadden kleren aan en liepen op twee poten. Ze spraken een taal die Koning Quagga niet kon verstaan. Het waren mensen.
Koning Quagga ging zich verstoppen, zodat ze hem niet konden zien, net als bij de leeuwen zouden de mensen ongetwijfeld ook doorlopen. ‘Ik zal ze foppen’, zei hij tegen zichzelf en hij verstopte zich tussen de takken. Maar de mensen liepen niet door. Het trucje werkte niet meer.
Koning Quagga probeerde het nog door op zijn kop te gaan staan, maar ze hadden hem ontdekt. Met een touw om zijn hals werd hij die dag meegenomen naar een stad. Ja, ze gaven hem wel te eten en te drinken, dus dat was allemaal prima. Maar het was wel een beetje gek.
Het werd nog vreemder toen hij op de boot naar Amsterdam ging. Daar ging hij naar Artis en had hij zijn eigen verblijf. Hij kon weer spelen net als vroeger, maar hij was wel helemaal alleen.
Is hier iemand om mee te spelen?

Dodo Dorien
Piraten varen over de zeeën van de wereld en krijgen buikpijn van het zoute eten. Scheurbuik noemen ze dat. Dan is het des te fijner om midden op de oceaan een meeuw te zien. Dan weet je als piraat dat er land in de buurt is. Het kan ook een eiland zijn.
Op dat eiland groeien heerlijke sappige vruchten, zoals kokosnoten. En daar scharrelen ook de dodo’s. Zoals dikke Dodo Dorien, een prachtige vogel met schitterende veren en een grote, kromme snavel.
Ja hoor, ze hadden het paradijs gevonden. Wat een verrukkelijk eiland, hier is alles wat we nodig hebben. Een lekker visje uit de zee pikte de dodo zo uit de golven. Een besje plukten ze zo uit de struiken. Er waren geen katten of andere roofdieren, dus waarom zouden we vliegen? Ze waggelden van golf tot struik en werden dikker en dikker. Wat een heerlijk leven, toch?
Op een dag zag Dodo Dorien iets vreemds. Het kwam steeds dichterbij, het werd steeds groter. Zou je het kunnen eten, dacht Dodo Dorien. Haar maag rammelde al, toen het vreemde ding vlak voor de kust tot stilstand kwam. Het was een piratenschip. Er kwamen allemaal grote, vreemde wezens uit. Ze hadden ogen, een neus, een mond, warrig haar op hun hoofd en twee poten. En dat is gek, sommigen hadden een houten been. Maar wat maakten ze een lawaai!
Dodo Dorien verstopte zich voor de zekerheid. Iets in haar zei dat het niet helemaal in de haak was. En ze had gelijk. De piraten gingen tekeer en pakten alle kokosnoten, mango’s en andere vruchten.
En ook alle andere dodo’s werden soldaat gemaakt. Opgegeten. Arme Dodo Dorien zag het met lede ogen aan vanuit het struikgewas. Toen ze de dag erna wakker werd was het schip verdwenen. De piraten hadden wat planken en balken achtergelaten; het leek wel een brug naar de zee. Maar de brug liep dood. Elke dag scharrelde Dodo Dorien alleen en eenzaam over het strand en liep de steiger op. Ze keek naar de zee en naar de horizon, maar ze was helemaal alleen. Ze was verdrietig. Is er hier nog iemand om mee te spelen?

Henri de Holenbeer
Slapen, dat deed Henri de Holenbeer het liefst. Nog liever dan spelen met vriendjes. Een dag niet geslapen is een dag niet geleefd, zei Henri altijd als hij zich ‘s ochtends nog een keer omdraaide in zijn warme berenhol. Hij sliep sowieso elke winter, maar ook in de zomer lag hij het liefst in zijn hol. Henri was eigenlijk een beetje een luie beer. Uiteindelijk rammelde zijn buik van de honger. Dat is balen, vond Henri, want dat betekende dat hij zijn hol uit moest om op zoek te gaan naar eten. Besjes, bladeren, met wat geluk een stukje rendier, honing is ook heerlijk, maar het lekkerste is nog wel een dikke, vette zalm, zo uit de rivier opgevist. Hij stak zijn neus in de lucht om al die heerlijke geuren van het bos op te snuiven. En hij volgde zijn neus gehoorzaam. Hij liep door het bos en snuffelde hier en daar. En langs de rivier, waar hij met zijn poten een paar stenen omdraaide, over de uitgestrekte bloemenvelden, waar de bijen eten verzamelen om er honing van te maken. Het werd later en later en Henri de Holenbeer liep verder en verder. Iets te eten had hij nog altijd niet. ‘Kom op, luie beer, je kunt toch wel iets vinden’, sprak hij zichzelf wat moed in. Maar eigenlijk was hij best een beetje bang. ‘Had ik vroeger maar wat beter opgelet, toen mama beer me samen met mijn zusjes het bos leerde kennen. Ik wilde liever slapen. Liever lui dan moe’.
En het werd donker.
Nu Henri zover van zijn hol was, moest hij een ander plekje vinden. Hij had geluk, want hij vond al snel een kuil, waar hij wat takken overheen legde. Maar hij had het erg koud. ‘Ik heb honger, en nog veel erger, ik mis mijn warme berenhol met mijn eigen vertrouwde luchtje’. Toen de vogeltjes begonnen te fluiten, stond Henri schoorvoetend op. Hij liep door het bos en herkende de bomen en de geuren niet meer. Hij was verdwaald. ‘Wat nu’, piekerde Henri zich suf. Hij miste zijn berenhol, had nog steeds honger en was ook nog eens verdwaald. Gelukkig had Henri zijn nieuwe kuil met takken erover, hij besloot een nieuw hol te graven. En hij vond ook nog eens een heerlijke zalm. Maar hij was wel helemaal alleen. Elke ochtend als hij uitgeslapen was vroeg hij zich af: ‘is hier wel iemand om mee te spelen?’

Madiba de Mammoet
De mammoet leeft het liefst in kuddes, dan ben je nooit alleen. Ze struinden met de hele familie over velden, langs bossen en traag stromende rivieren.De kleintjes tussen de groten in, keuvelend en spelend verkenden ze de wereld. Madiba was geen baby meer, ze was al best groot. Ze had al veel geleerd van haar vader en moeder, haar ooms en tantes en haar neven en nichten. En zelf leerde zij de jongere mammoetjes, vaak haar neefjes en nichtjes, de wereld te ontdekken.
‘Pas op voor rotsblokken, want die kunnen gaan rollen’ of ‘Voorzichtig bij de ravijnen, want je wil er niet afvallen’.
Madiba was al aardig wijs. Op een dag was het bar slecht weer. Eerst was het nog warm geweest en lagen de beesten te puffen en te steunen met hun wollige vacht. Plotseling ging het stormen en regenen. Bliksems schoten door de lucht, de donder die volgde maakte zelfs Madiba bang. De kudde mammoets verstopte zich in het dennenbos, waar de grond nog droog was.
Maar wat was dat voor vreemde geur? Het was de geur van rook. En waar rook is, is vuur. En ineens stond het bos in lichterlaaie. De kudde vloog alle kanten op. Ook Madiba rende als een kip zonder kop. Ze rende en rende, ploeterde voort en verstopte zich uiteindelijk in een grot, waar ze kon wachten tot het onweer over dreef. Maar ze was wel helemaal alleen. Madiba liet zich niet kisten. Ze ging op zoek naar haar familie. Op zoek naar iemand om mee te spelen.
Een heuse speurtocht.

Het Mammoetpad
Op de eerste dag vond Madiba de Mammoet geen andere mammoet, maar ze treurde niet. Het komt vanzelf goed, zei ze tegen zichzelf. Ze trok de wereld over, dagen werden weken en weken werden jaren, maar ze vond geen mammoet. Ze kwam wel andere dieren tegen. Op een van haar tochten met een vlot over de zee meerde ze aan bij een steiger van balken en planken. Er zat een verdrietige grote vogel op.
‘Wie ben jij en waarom kijk je zo sip’, vroeg Madiba aan de vogel.
Ik ben Dorien de Dodo en ik ben helemaal alleen, antwoordde de dodo
‘Ik ook, maar anders gaan we toch samen op zoek’
De dodo was even stil, piekerde wat en keek naar de grote harige mammoet. ‘Wat een goed idee’, besloot Dodo Dorien en ze stapte bij Madiba op het vlot. Ze mocht zelfs de stok waarmee je het bootje vooruit kon duwen vasthouden.
Dit was al veel gezelliger en met de stroming van de zee belandden ze uiteindelijk in een drukke plaats, boordevol mensen en duiven. Het was Amsterdam.
‘We zoeken een herberg voor de nacht’, vroeg Madiba op de Dam
‘Ga maar naar Artis’, antwoordde een duif.
En daar zagen Dodo Dorien en Madiba de Mammoet Koning Quagga voor het eerst. Hij had het niet slecht, maar was ook niet heel erg gelukkig. Je hoeft niet verdrietig te zijn, zoek maar met ons mee. Dat vond Koning Quagga wel een erg goed idee!
De drie vrienden trokken met elkaar op en kwamen via weilanden, meren en uitgestrekte velden in de diepe bossen van Lapland terecht. Het was al laat en ze zochten een plekje voor de nacht, ook al duurde die maar kort in de zomer. Ze vonden een kuil met wat takken erover. Maar wat was dat voor gesnurk? Het was het zware geluid van de slapende Henri. Hij sliep zo diep dat hij niet doorhad dat er een mammoet, een dodo en een quagga bij hem in zijn hol geslopen waren.
‘s Ochtends zag hij ze voor het eerst. Nadat ze hem uitgelegd hadden wie ze waren en wat ze deden, kreeg Henri tranen in zijn ogen. Dan ben ik niet meer alleen, bedacht hij zich.
De uitgestorven dieren trokken met elkaar op, huppelden, renden en speelden tot in de eeuwigheid. Op een dag kwamen ze bij een oude schaapsherder met een lange baard. Jullie vormen een bont gezelschap, wat doen jullie eigenlijk?
‘Verstoppertje spelen is leuker samen dan alleen’, zei Koning Quagga.
‘Eten is ook veel gezelliger met zijn allen’, vervolgde Dodo Dorien
‘Met elkaar slapen is veel warmer’, geeuwde Henri de Holenbeer.
‘Dus volgen we het Mammoetpad. Madiba de Mammoet is ermee begonnen en wij doen lekker mee.
Dan is er altijd iemand om mee te spelen’!

Ga naar alle wandelingen