content route geschiedenis extra

Geschiedenisroute A – Leven in de Midden-Steentijd

We schrijven ongeveer het jaar 7000 voor Christus. De laatste ijstijd, het Weichselien, is al ongeveer drieduizend jaar eerder afgelopen. Overigens, er lag in die laatste ijstijd geen ijs! Het landschapzag er toen uit als een soort poolwoestijn. IJzige winden waaiden over het land en namen dekzand met zich mee. Dat zand wasvooral afkomstig uit de toen droogliggende Noordzee, en ook wel uit Midden-Drenthe. Er kwam hier dus een flinke laag dekzand te liggen. Het tijdperk waar we in 7000 voor Christus in verkeren heet het Mesolithicum of de Midden-Steentijd (van 8800 tot 5300 jaar voor Christus). Het is de periode waarin de toenmalige bewoners beschikten over vuurstenen werktuigen zoals pijlpunten en schrabbers. Ja, er waren bewoners, ook hier op deze plek. Hier dichtbij, aan de Kielsterachterweg, zijn bewijzen gevonden: enkele haardkuilen met houtskool erin uit ongeveer dat jaar, 7000 voor Christus. Zelfs van veel oudere oorsprong zijn vuursteenartefacten gevonden: die dateren van ongeveer 11000 voor Christus, ook bij de Kielsterachterweg. Het hoogtepunt van de bewoning van de Veenkoloniale streken ligt tussen 7600 en 6500 voor Christus.

Die haardkuilen waren meestal ongeveer 60 cm in doorsnee, en hadden een vergelijkbare diepte. Ze werden waarschijnlijk gebruikt om voedsel te conserveren (drogen/roken) en kookstenen in te verhitten. In een haardkuil werd een temperatuur bereikt die honderden graden hoger ligt dan in een vlakvuur. In sommige haardkuilen zijn die kookstenen teruggevonden. Met zo’n hete kooksteen kon je heel snel water aan de kook brengen. Mogelijk werd er ook teer in gemaakt; teer was nuttig om er pijlpunten mee aan de schacht te bevestigen.

Het landschap waar we nu lopen zou er in de Midden-Steentijd best zo uit hebben kunnen zien. Het is een open landschap begroeid met grassen en mossen. Bomen staan er nog weinig. Dat waren dan vooral grove dennen, berken en hazelaars. Dat weten we nu omdat de houtskoolresten en de verkoolde notendoppen in de gevonden haardkuilen bestudeerd zijn door archeologen. Ongeveer 6000 jaar voor Christus beginnen er ook eiken te groeien als gevolg van het beter wordende  klimaat. Daarna komen ook populieren, iepen en esdoorns. Elzen groeiden hier al kort voordat de eiken kwamen.

De mensen die hier rondtrokken leefden van de jacht en van noten, plantenwortels en vruchten. Ze worden jagers-verzamelaars genoemd. Ze vingen vis met behulp van fuiken en vislijnen. Jagen deden ze met pijl en boog en ook met speren en/of harpoenen. De punten maakten ze van vuursteen (ook wel van been en van gewei). Er zijn in Tussen de Venen enkele depots met afvalstukjes van vuursteen gevonden, maar niet veel. Vuursteen werd indertijd uit Westerwolde of van de Hondsrug gehaald. Er leefde hier toen groot wild zoals elanden, oerossen, wisenten, beren en ook kleiner wild zoals bevers, otters en watervogels.  Met name die laaggelegen, waterrijke gebieden boden zoveel voedsel dat het de moeite waard was om ernaar toe te gaan. Die gebieden hadden vaak een leembodem zodat er water bleef staan.

Het hout voor de bogen was onder andere essenhout; dat weten we vanwege vondsten in het rivierengebied. Daar lag het materiaal onder grondwaterniveau zodat het goed geconserveerd bleef. Trouwens: nog steeds worden stelen van spades van essenhout gemaakt!

Langzamerhand werden de rondtrekkende mensen tot vaste bewoners dankzij de rijkdom aan wild en ander voedsel.  Maar, ook langzamerhand, werd de begroeiing steeds dichter. Er ontstond een dicht bos met veel minder wild. En daardoor verdwenen de mensen. Vanaf 6000 jaar voor Christus blijven ze weg.  De veenvorming kwam toen ook op gang door een klimaat dat vooral natter werd. In dat veen was toen eigenlijk geen bestaan meer mogelijk. De mensen verdwenen uit deze streken en begonnen op andere plekken een bestaan als boer. En als jagers-verzamelaars zich op een vaste plek gaan vestigen als boer betekent dat het einde van de Midden-Steentijd. Dan begint de Nieuwe Steentijd (van 5300 – 2000 jaar voor Christus). Rond dat jaar (5300 voor Christus) waren er boeren, mensen met een vaste woonplaats, in Zuid-Limburg. Het zou nog duren tot ongeveer 4000 jaar voor Christus voordat er ook boeren in het Noorden gingen wonen.

Een impressie van hoe het leven er toentertijd uit zou hebben kunnen zien zie je hieronder:

( plaatje: Collectie Veenkoloniaal Museum, Veendam

Kunstschilder Geert Schreuder, Onstwedde

Geschiedenisroute B – De vervening

Zo’n 5500 jaar voor Christus veranderde het klimaat. Het werd natter en natter. Op veel plaatsen werd de waterafvoer gestremd door dekzandafzettingen. In dat voedselarme water groeide weinig anders dan veenmos. Het verdrong andere planten. Aan de onderkant stierf het veenmos af, aan de bovenkant groeide het door. Ieder jaar groeide de laag veenmos zo met een millimeter. Dat betekent dat, toen de vervening begon (ongeveer in 1650) er een veenlaag was ontstaan van pleksgewijs zes tot zeven meter dik! Die dikte van de veenlaag is ook wel te zien op onderstaande foto.

De vervening begon altijd door landmeters het veen in te sturen. Die bepaalden waar de diepen en de wijken kwamen te liggen en zij maten de dikte van de veenlaag. De bovenste laag veen was bonkveen – ongeschikt om te gebruiken. Die werd afgestoken en opzij gezet. De lagen veen daaronder werden afgegraven in het late voorjaar en de vroege zomer (april – juni): zo’n honderd dagen lang, de turven moesten immers ook nog drogen. Kwam men op het onderliggende dekzand, dan werd de opzij gezette laag bonkveen daarmee gemengd en dat was dan de zogenaamde dalgrond. Een bodemtype dat goed geschikt was voor de landbouw. De afgraving betekende wel dat een laag van soms wel vijf, zes meter dik was verdwenen en in rook opgegaan!

Vanaf het diep (het hoofdkanaal) liepen de wijken (de zijkanalen) het veen in om de turf af te voeren. Meestal op regelmatige afstand van zo’n honderd meter. We zien hier voor, en achter ons nog twee van dergelijke veenwijken. In de verte, in het westen, ligt het lintdorp Tripscompagnie. Nog steeds met het veel voorkomende Oldambster boerderijtype (de voordeur in het midden van de gevel en twee ramen aan de zijkanten).

Het diep hier heet het Tripscompagniesterdiep. Het werd in 1640 gegraven om de turf uit de omliggende venen te kunnen winnen. Het dorp Tripscompagnie ontstond acht jaar later. Het diep en het dorp zijn genoemd naar Adriaan Trip.

Adriaan Trip was een nazaat van de schatrijke handelsfamilie Trip uit Amsterdam. De familie maakte haar fortuin met de wapenhandel maar zocht het later ook op ander gebied. In Amsterdam staat het Trippenhuis, een paleisachtig gebouw met de breedste grachtenhuisgevel die nu nog te zien is. Het was in die tijd gebruikelijk om te beleggen in droogmakerijen, maar Adriaan zocht het in verveningen in Oost-Groningen. En dat werd ook een succes.

(Plaatje Collectie Veenkoloniaal Museum

Geschiedenisroute C – Wolfsklauwen

Een groep bijzondere planten! De glorietijd van deze planten ligt al in het Carboon, zo’n driehonderd miljoen jaar geleden. En wolfsklauwen zijn in die tijd zijn nauwelijks veranderd. Het is een groep van heel primitieve planten, die zich via sporen vermeerdert. Net als de varens en de paardenstaarten. Wolfsklauwen zijn wintergroen en de stengel is net als de wortel gaffelvormig. Ze splitsen zich steeds in twee min of meer gelijkvormige delen. De stengels zijn helemaal bedekt met de kleine groene schubvormige blaadjes. De sporen worden gevormd in sporenaren die aan het eind van zijstengels staan. Vroeger werden de waterafstotende sporen wel gebruikt als wondpoeder om bloedingen te stelpen en bij huidaandoeningen. Als de sporen in een vlam terechtkomen kunnen ze een stofexplosie veroorzaken.

Die sporen zijn stoffijn en worden door de wind verspreid. Meestal liggen ze een paar jaar in de grond te rusten. Daarna groeien ze uit in samenwerking met een mycorrhizaschimmel. Die uitgroei duurt ook lang. Er zijn vijf soorten wolfsklauwen inheems in ons land en daarvan groeien er twee in de Heemtuin. De meest voorkomende soort is de moeraswolfsklauw. Op zich is het voorkomen niet heel bijzonder (hoewel wolfsklauwen wel als zeldzaam worden betiteld), maar wel de mate waarin de plant voorkomt. Er staan er namelijk erg veel in de heemtuin. Zoveel, dat de heemtuin er een landelijke bekendheid bij botanici door heeft verkregen. Blijkbaar zijn de groeiomstandigheden voor wolfsklauwen hier optimaal. De plant heeft een kalkarme zandgrond nodig die arm is aan stikstof en fosfaat.

De moeraswolfsklauw heeft bladeren die zacht aanvoelen. De plant vormt matten op natte, open plekken. De sporen groeien aan aren op rechtopstaande stengels die na de sporenverspreiding afsterven. Aan de voet van die stengels vormen zich knoppen die het volgende jaar uitgroeien. Zo kan de plant zich in enkele jaren sterk uitbreiden.

Grote wolfsklauwen groeien op drogere plekken. Deze plant is zeldzaam geworden maar groeit in de heemtuin op een aantal plekken. Hij heeft ver kruipende stengels die meterslang kunnen worden. Het blad heeft een witte punt zodat de plant er wollig uitziet.

Tot voor kort groeide hier ook de plompe wolfsklauw die ook wel dennenwolfsklauw heet. Dat is eigenlijk een betere naam, want de blaadjes zijn stekelig en de plant groeit vaak onder dennen. Deze zeldzame plant is nu jammer genoeg uit de heemtuin verdwenen.

( Plaatje Moeraswolfsklauw

Geschiedenisroute D – Seizoensvorstheuvels

Tijdens de inrichting van het gebied Tussen de Venen werden bij toeval maar liefst rond de 160 vorstheuvels (seasonal frost mounds) ontdekt. Het was amateur-archeoloog Roelie Meijer die de overblijfselen ontdekte tijdens graafwerkzaamheden. De vorstheuvels hadden een verschillende doorsnee, van circa een halve meter tot enkele meters. Ze zijn ongeveer 14000 jaar geleden ontstaan. De wordingsgeschiedenis is min of meer vergelijkbaar met die van een pingo. Een pingoruïne is het overblijfsel van een pingo, die vooral veel te vinden zijn in het grensgebied van Groningen, Friesland, Drenthe en de Kop van Overijssel. Ook op de Veluwe zijn ze te vinden. Het ontstaan van pingoruïnes en vorstheuvels ligt in de laatste ijstijd, het Weichselien, toen het klimaat erg koud was.

Een pingo ontstaat doordat water onder grote druk door een toevallig gat in een bevroren laag aarde (permafrost) heen omhoog wordt geperst. Het water boven het gat bevriest en er ontstaat een grote ijslens die de bovenliggende grond omhoog drukt. Zo wordt een heuvel gevormd die pingo wordt genoemd. Als later het ijs smelt, zakt de grond in het ontstane gat en er is dan een ronde uitholling gevormd die zich al snel met water vult. Dit worden ronde meertjes van enkele meters in doorsnee tot ronde meren met een doorsnee van meer dan een paar kilometer: de pingoruïnes.

Een vorstheuvel ontstaat ongeveer op dezelfde manier, maar hier komt het water vanaf de zijkant naar binnen. De ijslens die ontstaat is lang zo groot niet als bij een pingo. Het is dus maar een klein meertje, dat zich al snel vult met waterplanten die tot veen worden. Een afdruk van zo’n vorstheuvel is te vinden in het gebouw. Dat op deze plek zoveel vorstheuvels bij elkaar zijn gevonden is bijzonder te noemen!

( Plaatje : Seizoensvorstheuvel in een toendra bij de poolcirkel

Geschiedenisroute E – Sint-janskruid  (Hypericum perforatum)

Op veel plaatsen in “Tussen de venen” is sint-janskruid te vinden. Het is een plant die groeit op droge, zonnige plekken. Ook gedijt hij goed op plaatsen waar verder weinig planten kunnen groeien, zoals wegbermen, stenige hellingen etc. De plant bloeit omstreeks Sint-Jan (24 juni); daar heeft hij zijn naam aan te danken. Maar er zijn meer redenen waarom deze plant zo heet!  En daar zit een mooi verhaal aan vast.

Sint-Jan is eigenlijk niemand anders dan Johannes de Doper, en die naam kennen we allemaal wel. 24 Juni was zijn geboortedag, naar verluidt een half jaar voor Jezus. Johannes de Doper was een achterneef van Jezus en hij was eveneens een profeet. Hij verkondigde de boodschap van verlossing van zonden door de doop in de Jordaan. Ook Jezus liet zich door Johannes dopen. Johannes wordt dan ook wel beschouwd als de wegbereider van Jezus.

Johannes leidde een sober bestaan: ‘hij droeg een kameelharen mantel en voedde zich met sprinkhanen en wilde honing”. Maar een scherpe tong had hij wel. Dat ondervond ook de toenmalig Romeinse heerser, koning Herodes. Die had een affaire met zijn schoonzuster Herodias en werd daarom door Johannes bekritiseerd. Hoewel Herodes Johannes wel hoog had zitten, gooide hij hem vanwege die kritiek toch maar in het gevang.

Die schoonzuster Herodias had een dochter en dat was Salome. Moeder en dochter hadden een veel grotere hekel aan Johannes en smeedden een boosaardig plan. De dochter zou voor Herodes dansen en als beloning een wens mogen doen. Die dans werd de “dans met de zeven sluiers”, ook beschreven in het toneelstuk Salome van Oscar Wilde. Later is dat toneelstuk tot opera bewerkt door Richard Strauss. Die zeven sluiers werden tijdens de dans successievelijk afgeworpen en, begrijpelijkerwijs, Herodes was wild enthousiast. Hij liet haar een wens naar keuze doen, en toen kwam het plan van moeder en dochter uit. Dochter had als wens: “breng mij het hoofd van Johannes de Doper, en voordat hij onthoofd wordt, doorboor dan die gemene kwaadsprekende tong van hem met gloeiende naalden”. Tja, dat ging Herodes wel wat te ver, maar hij had het nu eenmaal beloofd, en belofte maakt schuld.

En zo komt het dat het sint-janskruid blaadjes heeft die een beetje tongvormig zijn. Misschien heb je een loepje op zak? Kijk dan eens door het loepje naar het blad terwijl je het in het licht houdt. Het zal je opvallen dat er heel veel kleine lichtpuntjes in het blad zitten. Dat zijn de plekjes die de gloeiende naalden achterlieten. Met wat moeite is dat ook wel te zien zonder de loep. En misschien zit er nog een niet-geopend bloemknopje aan de stengel? Wrijf dat knopje dan eens tussen duim en wijsvinger en aanschouw met verbazing de bloedrode druppel die verschijnt. Symbool van de bloedstroom na de onthoofding van Johannes.

Door deze symbolen (de bloei ten tijde van de geboortedag, de lichtpuntjes en het bloedrode vocht) was het sint-janskruid vroeger een wonderkruid. Tijdens het zonnewendefeest ging men erop uit om precies om 12 uur ’s nachts de bloemen te plukken. Die werden voor de ramen gehangen, of boven de deuringang, en dan kon het kwaad (de duivel) niet binnenkomen. Ook blikseminslag of brand was niet meer mogelijk.

Tegenwoordig vindt het kruid nog steeds toepassing vanwege de medicinale werking als antidepressivum. Maar er zijn ook bijwerkingen. Het is dus veiliger om een sint-janstros gewoon maar boven de deur te hangen. Al met al een heel verhaal rondom dit heel gewone plantje dat overal wel te vinden is.

( Plaatje : sint-janskruid

Geschiedenisroute F – Jeneverbessen

Op deze plek vind je een gedeelte waar veel jeneverbessen zijn aangeplant. Waarom staan die planten hier eigenlijk? Deze conifeer (een boom met naalden, niet met loof) hoort immers thuis op de zandgronden van Drenthe en de Veluwe. Daar vind je ze nog wel. En niet op de veen- en dalgrond. Maar inderdaad, de veenlaag is hier verwijderd zodat het dekzand bovenkwam en dan is deze aanplant begrijpelijk. De voornaamste reden is dat het eigenlijk een soort “ijstijdplant” is.

Het is zeker een bijzondere plant! Om verschillende redenen

Voor sommigen is de plant bijzonder, omdat de geurige, scherp smakende bessen gebruikt worden om jenever te aromatiseren (de naam jenever is afkomstig van de wetenschappelijke naam van de jeneverbes: Juniperus).

Voor anderen omdat het een van de eerste bomen is die zich in ons gebied vestigde aan het eind van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar voor Christus, samen met berken.

En voor weer anderen is de plant bijzonder, omdat er nog maar zo weinig jeneverbesstruwelen zijn. De plant heeft het moeilijk. De kieming van de zaden is lastig, waarschijnlijk omdat er weinig open kiemingsplekjes zijn. Het gebied is te veel dichtgegroeid. De jeneverbes heeft voor de kieming open zand nodig, vandaar dat er zo weinig jonge planten bij komen.

De groeivorm van de jeneverbes is wisselend: er zijn zuilvormige types en ook lage, bossige types die breeduit groeien. Soms zelfs meer liggend. Het is een tweehuizige plant; dat wil zeggen dat er mannelijke en vrouwelijke planten zijn. Aan de vrouwelijke planten groeien de bessen, die er vanaf de bestuiving drie jaar over doen om helemaal rijp te worden. In Oost-Nederland staat de jeneverbes ook wel bekend als waggelbossie of waggelbeer. Waarschijnlijk onder invloed van de Duitse benaming Wacholder.

De glorietijd van de jeneverbes was zo’n 10.000 jaar voor Christus; een paar duizend jaar later was de laatste ijstijd helemaal ten einde en toen hadden berken, wilgen, espen en grove dennen de jeneverbes alweer goeddeels verdrongen. Er bleef nog een populatie bestaan in de duinen. Vanaf de middeleeuwen kon ze dankzij de begrazing van heidevelden daar nog blijven bestaan. Op de open plekken die door de begrazing ontstonden was kieming van de zaden immers mogelijk. De planten hebben ook last van konijnenvraat en van schimmelziekten. Er worden nu maatregelen onderzocht om de jeneverbes te laten overleven.

In Drenthe is in 2004 het Jeneverbesgilde opgericht (www.jeneverbesgilde.nl). Het jaar 2014 was dus een jubileumjaar en is uitgeroepen tot Jaar van de Jeneverbes. Het motto van het gilde is “Op de bres voor de Jeneverbes”! Het gilde maakt zich sterk voor behoud, doet onderzoek, pleegt onderhoud en organiseert werk- en kennisdagen.

Plaatje: Jeneverbes

 

Geschiedenisroute G – De bomen komen!

Na de laatste ijstijd, die zo’n 10.000 jaar voor Christus afgelopen was, was het land “woest en ledig”.

De grond ontdooide en alle planten en bomen die er voor de ijstijd groeiden waren uitgestorven. De eerste planten die er gingen groeien waren grassen, zeggen en mossen. Daarvan werden de zaden en sporen door de wind meegevoerd. De kolonisatie door bomen moest vanuit het zuiden op gang komen. De eerste bomen waren berken en jeneverbessen, daarna kwamen 9000 jaar voor Christus grove dennen en hazelaars. Pakweg 7500 voor Christus kwamen de els, de linde, de roos en de appel.  En vervolgens de eiken. Dat was 6500 à 6000 jaar voor Christus. De beuk kwam hier veel later, 2000 jaar voor Christus.

Die eerste planten kwamen naar het noorden vanuit Zuid-Spanje en Zuid-Italië. Soms ook uit de Balkan. Maar hoe ging die reis naar het noorden in z’n werk? Hazelnoten en eikels zijn relatief zwaar. Vogels zoals gaaien en dieren zoals eekhoorns zullen hebben meegeholpen. Maar men heeft wel eens uitgerekend dat die reis noordwaarts met een snelheid van ongeveer 50 km per jaar is gegaan! Dat is wel erg veel gevraagd van een gaai of een eekhoorn. Vermoedelijk zijn er zaden noordwaarts meegedreven in rivieren en beekjes. Lichtere zaden kunnen ook aan dierenvachten zijn blijven hangen.

De mensen die toen leefden verplaatsten zich lopend, maar zij hadden ook al de beschikking over bootjes. Dat bewijst de “kano van Pesse”, een kano die in 1955 bij de aanleg van de A28 in een diepe veenput is gevonden enkele kilometers ten noorden van Hoogeveen. Het is een kano van bijna 3 meter lang die nu te zien is in het Drents Museum in Assen. Hij is uitgehakt met vuurstenen bijlen uit de stam van een grove den en de kano dateert van 8040 à 7510 voor Christus. Daarmee is het de oudst bekende boot ter wereld! In 2001 heeft men een replica gemaakt en aangetoond dat er prima mee kon worden gevaren. Wel was het bootje erg klein voor de opvarende; de mensen uit die tijd waren dan ook een stuk kleiner dan ze nu zijn.

Plaatje: Een grove den op een Drents heideveld.

Ga naar alle wandelingen