Wandeling Geschiedenis

Wandelroute “Geschiedenis”

Beschrijving wandelroute; deze wandeling kun je maken op verschillende manieren:

–       Gewoon door deze beschrijving te volgen

–       Door de extra informatie  “Geschiedenis” te lezen verderop in dit document

In het veld kun je op bepaalde plekken QR-codes oproepen die achtergrondinformatie weergeven.
De verhalen uit de geschiedenis zijn aangegeven met de letters A t/m G. ( lees de informatie )

Als startpunt gaan we naar het hekje dat aan de zuidkant recht achter het paviljoen is aangebracht. Je moet daarvoor je pad door de vlinder- en kruidentuin kiezen.

Ga het hekje door en loop de brug over naar de boom toe, de zwarte tupeloboom of Nyssa.
Kijk bij de extra informatie bij A voor info over de menselijke bewoning in dit gebied aan het eind van de laatste ijstijd. Kijk eens om je heen!
Het gebied waar je nu staat zou er aan het eind van die laatste ijstijd best zo uit hebben kunnen zien. Een terrein met veel mossen, grassen en nog geen boom te bekennen. Als je de brug overgaat ziet je beneden je in het water de gewone waternavel groeien, een leuk plantje met blaadjes als kleine parapluutjes.


We gaan rechtsaf richting de uitkijkheuvel tussen het zandhaarmos en de pitrussen door.
Beklim de heuvel en geniet van het uitzicht! Je ziet in het westen Tripscompagnie liggen, en voor en achter je zijn nog twee oude veenwijken.
Meer informatie over de vervening staat bij B.
( plaatje: Zandhaarmos


Op de heuvel groeit veel biggenkruid. De bloem lijkt wel op die van de paardenbloem; maar het biggenkruid heeft ruw behaard blad (als van een big). Maar eigenlijk is het plantje zo genoemd omdat varkens dol zijn op de wortels die ze met hun snuit uit de grond wroeten.
( plaatje: Biggenkruid

We gaan naar beneden en lopen de brug over. Het pad buigt naar links, en in de oeverrand zijn veel moeraswolfsklauwplanten te vinden.
Kijk bij C voor extra informatie over wolfsklauwen.

Het pad loopt nu tussen twee waterlopen door; aan de rechterkant staan veel lisdodden in het water.
Let eens op de bloei van deze “rietsigaren”: de mannelijke kolf staat bovenaan, daaronder zit de vrouwelijke kolf. Als het stuifmeel rijp is waait het naar beneden langs de vrouwelijke kolf om die zo te bevruchten.
De Groningse naam voor deze planten? Pommels of doethoamers! Dat zijn trouwens maar enkele van de vele Groningse namen voor deze plant.

Aan de waterkant, in de natte oever staan veel vergeet-me-nietjes.
Dit is een soort vergeet-me-nietje met heel kleine bloempjes. Het is het zompvergeet-me-nietje.
In heel veel talen heet het plantje vergeet-me-nietje. Het verhaal gaat dat een ridder die met z’n harnas aan (!), aan het wandelen was met zijn geliefde. Hij plukte een bosje bloemen aan de waterkant, viel erin door de zwaarte van het harnas, en kon nog net het bosje bloemen naar z’n geliefde gooien met de uitroep “vergeet mij niet”!

Voor we de brug naar rechts oversteken: een meter of honderd verderop in oostelijke richting is weer een brug. Op die plek zijn bij het gereedmaken van dit gebied heel wat zogenaamde vorstheuvels ontdekt! Voor de mensen van de werkgroep Prehistorie in de Veenkoloniën een opwindende vondst.
Wil je daar meer over weten, kijk dan bij D.

Langs de oevers groeit ook veel rond zonnedauw.
Een plantje met een verhaal! Met de kleverige druppels aan de blaadjes kan een mugje worden vastgehouden, het blaadje krult zich om het insect heen en het beestje wordt verteerd. Het is dus een vleeseter! Zo komt de zonnedauw aan zijn voedingsstoffen. Hij heeft daarom ook maar een klein wortelstelsel nodig.
De naam heeft overigens niets met de zon te maken, zonne staat voor zond en dat betekent veel (vergelijk zondvloed).
( plaatje:Rond zonnedauw (foto Antoine van Schaik)

We gaan nu weer rechtsaf over de brug en volgen het pad tot het hekje. Ga daar doorheen en klim omhoog tegen de heuvel op.
Hier staat veel sint-janskruid. Aan de naamgeving van deze plant hangt een mooi verhaal: kijk bij E.
We komen nu in een bosgebied waar ook wel uitheemse bomen staan zoals Amerikaanse eiken. Verder zijn hier hondsrozen te vinden, grove dennen en veldesdoorns.

Kijk ook eens naar rechts om daar in de laagte die mosvlakte te zien. Mooie kleuren kunnen die mossen hebben! Aan de rand zijn ook gagelstruiken te vinden.
Altijd leuk om even een blaadje stuk te wrijven en dan aan je vingers te ruiken.

We naderen nu de tulpenboom of Liriodendron. Nu gaan we verder naar het oosten, richting de ruïne. We lopen door een stuk met links en rechts veel jeneverbessen.
Kijk voor meer informatie hierover bij F. Ook hier is aan de rechterkant een laagte gecreëerd met veel mossen.

De ruïne komt in zicht. Het is natuurlijk een nieuwe “oude” ruïne. Het maakt het gebied wat spannender en de bedoeling is ook dat er verschillende dieren en planten een toevlucht kunnen zoeken. De muren van de ruïne zijn begroeid met muurleeuwenbekjes.
Zoek er maar eens naar. Bijna altijd staan ze te bloeien met hun kleine lichtblauwe bloempjes.

Aan de zuidkant van de ruïne staat nog een bijzondere boom. Dat is de kurkboom of Phellodendron.

We lopen om de ruïne heen en volgen korte tijd een smal paadje door de hoge begroeiing heen.
We zien daar weer sint-janskruid en ook jakobskruiskruid. Ook geelbloeiend, maar het blad is heel anders. Het lijkt wel wat op boerenkoolblad! Dit is de plant waar dierenhouders erg bang voor zijn. Hij mag niet in het hooi terechtkomen, want in gedroogde toestand is dit gewas giftig voor vee.
(plaatje van Jakobskruiskruid

We stuiten nu op een grindpad en gaan daar linksaf. Na een meter of dertig slaan we rechtsaf, een hangbrug over en een hek door. We doorkruisen weer een “ijstijdvlakte”.
Misschien zien we het plantje duizendguldenkruid staan; het bloeit in de tweede helft van de zomer met kleine roze bloempjes in een scherm. Taalpuristen zouden misschien zeggen dat het plantje nu 450-eurokruid moet heten.
Het is een kruid waaraan vroeger heel veel geneeskrachtige eigenschappen werden toegeschreven. Tegen maag- en leverkwalen bijvoorbeeld. Ook wekte het de eetlust op. Als je het plantje in je beurs bewaarde, raakte die nooit leeg. En zo’n magisch plantje moest dan ook wel duizend goudstukken waard zijn!
Deze vlakte is nog kaal; er staan nog geen bomen. Hoe en wanneer zijn die bomen na de ijstijden hier gekomen? Kijk voor meer informatie hierover bij G.

We vinden aan het eind van het pad stapstenen in het water om over te steken. Met de nodige voorzichtigheid lukt dat wel.
Het hek door, en nu komen we naar boven in het “natuurontwikkelingsgebied”. Daar staat op de hoek weer een bijzondere boom. Het is de bitternoot (Carya). We volgen het pad over het heideveld. In de herfst staan hier veel franjezwammen op de grond.
(plaatje franjezwam

Op de driesprong linksaf en zo gaan we buitenom om het water. Kijk even naar rechts voor een prachtig doorkijkje over het water naar de groen bemoste heuvels. Dit pad kunnen we volgen tot een doorgang links in de houtwal. Daar gaan we door en dan linksaf terug naar de uitzichtheuvel.
Daar bovenop staat de Ginkgo. Een bijzonderheid, al heel lang bestaand. Het was de lievelingsboom van Goethe en zelfs de reden dat in zijn vroegere woonplaats Weimar een Ginkgomuseum staat!

Keer nu terug naar het paviljoen om je te verbazen over al het moois dat je onderweg hebt gezien en beleefd. Dat lukt wel als je er iets bij te drinken of te eten hebt.

(foto’s Adri Akkerman en KU Leuven: www.kuleuven-kulak.be/bioweb)

Ga naar alle wandelingen